ECLI:NL:RBDHA:2022:13611
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E. Bethlehem
- Rechtspraak.nl
Verzet tegen kennelijk ongegrond verklaring beroep niet tijdig beslissen asielaanvraag gegrond verklaard
Opposant had beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag, dat door de rechtbank op 22 april 2022 kennelijk ongegrond werd verklaard met toepassing van artikel 8:54 Awb Pro. Opposant deed verzet tegen deze uitspraak, stellende dat de vereenvoudigde behandeling onterecht was toegepast en dat de rechtbank onvoldoende had gemotiveerd waarom de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND niet in strijd is met het Unierecht.
De rechtbank oordeelde dat het verzet gegrond is omdat de aangevoerde argumenten twijfel wekken over de uitkomst van de zaak en dat nader onderzoek noodzakelijk is. De uitspraak van 22 april 2022 vervalt, en het onderzoek wordt hervat in de stand van voor die uitspraak. Vervolgens werd beoordeeld dat het beroep tegen het niet tijdig beslissen feitelijk is komen te vervallen door de inwilliging van de asielaanvraag.
De rechtbank stelde vast dat opposant geen procesbelang meer heeft bij het beroep tegen de afwijzing van bestuurlijke dwangsommen, omdat de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND de toepassing van die artikelen op asielaanvragen uitsluit. De rechtbank verwees naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak die bevestigen dat deze regeling niet in strijd is met het Unierecht.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en veroordeelde de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in de proceskosten van opposant voor zowel het verzet als het beroep. Tegen de uitspraak op verzet is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzet is gegrond verklaard, het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang, en de staatssecretaris is veroordeeld in de proceskosten van opposant.