ECLI:NL:RBDHA:2022:12225
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit COA over vergoeding opvangkosten na dwangsom asielaanvraag
Eiser ontving een dwangsom van €7.500,- van de IND wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Het COA stelde vervolgens een vergoeding van €803,33 vast voor de opvangkosten in mei 2021, gebaseerd op een berekening waarbij rekening werd gehouden met het vermogen van eiser en de interingsnorm. Eiser stelde dat deze berekening onzorgvuldig was en dat de dwangsom niet als vermogen mocht worden meegeteld.
De rechtbank oordeelde dat het COA en de IND aparte bestuursorganen zijn en dat de dwangsom niet gelijkgesteld kan worden met een immateriële schadevergoeding. De toepassing van de interingsnorm werd als bestendige bestuurspraktijk geaccepteerd en niet onredelijk bevonden. Wel stelde de rechtbank vast dat het COA voorafgaand aan het besluit onvoldoende onderzoek had gedaan naar het vermogen en de financiële verplichtingen van eiser, waardoor het besluit onvoldoende zorgvuldig was voorbereid.
Daarom vernietigde de rechtbank het besluit van 9 augustus 2021 en droeg het COA op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Eiser kreeg daarnaast een proceskostenvergoeding van €1.518,- toegewezen. Het verzoek om vrijstelling van griffierecht werd toegewezen, maar het COA hoeft geen griffierecht te vergoeden.
Uitkomst: Het besluit van het COA over de vergoeding van opvangkosten wordt vernietigd wegens onzorgvuldige voorbereiding en het COA krijgt opdracht een nieuw besluit te nemen.