ECLI:NL:RBDHA:2022:11309
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens niet voldoen aan middelenvereiste bij gezinshereniging
Eiser vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan om als gezinslid bij zijn partner (referente) in Nederland te verblijven. De aanvraag werd afgewezen omdat referente niet voldeed aan het middelenvereiste, aangezien zij een bijstandsuitkering ontvangt en geen vrijstelling hiervoor heeft volgens het beleid van de Staatssecretaris.
Eiser voerde aan dat sprake was van bijzondere omstandigheden, waaronder de vrijstelling van arbeidsverplichtingen van referente als alleenstaande ouder met jonge kinderen, en dat de weigering in strijd was met artikel 8 EVRM Pro en diverse bepalingen van het IVRK. De rechtbank oordeelde dat de vrijstelling van referente niet gelijkgesteld kan worden aan de beleidsvrijstelling en dat verweerder terecht geen uitzondering maakte.
De belangenafweging van verweerder werd als zorgvuldig beoordeeld, waarbij het economische belang van Nederland en het ontbreken van een uitzichtloze situatie voor referente werden meegewogen. Ook werd geoordeeld dat de hoorplicht niet was geschonden en dat de weigering niet in strijd was met artikel 8 EVRM Pro of de IVRK-artikelen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de afwijzing van de mvv-aanvraag. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.