ECLI:NL:RVS:2021:425
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep staatssecretaris tegen toekenning verblijfsvergunningen wegens mvv-vereiste en schrijnendheid
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep van Turkse vreemdelingen gegrond verklaarde en hen een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd toekende. De vreemdelingen, bestaande uit een vader, moeder en hun in Nederland geboren zoon, hadden aanvragen ingediend die waren afgewezen vanwege het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv-vereiste).
De rechtbank had de staatssecretaris in een tussenuitspraak in de gelegenheid gesteld om gebreken in zijn besluit te herstellen, wat leidde tot een aanvullende motivering. Desondanks oordeelde de rechtbank dat drie gebreken niet waren hersteld: onvoldoende betrokkenheid van de arbeidsongeschiktheid van de vader bij de belangenafweging, ondeugdelijke motivering over de belangenafweging ten nadele van de zoon, en onvoldoende motivering waarom het Nederlanderschap van de referenten niet leidt tot vrijstelling van het mvv-vereiste wegens schrijnendheid.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte niet terughoudend had getoetst en dat de aanvullende motivering wel degelijk de gebreken herstelde. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank onvoldoende terughoudendheid betrachtte, maar dat de aanvullende motivering wel de belangenafweging ten aanzien van de zoon en de schrijnendheid had toegelicht. De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de staatssecretaris alsnog ongegrond, waarmee de afwijzing van de verblijfsvergunningen stand hield.
De Afdeling benadrukte dat de bewijslast bij de vreemdelingen ligt om aan te tonen dat zij in Turkije niet in hun levensonderhoud kunnen voorzien en dat zij onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat de zoon bijzondere sociale en professionele problemen zou ondervinden bij terugkeer. Ook werd gewezen op het belang van het restrictieve toelatingsbeleid en het feit dat de referenten als Nederlanders geacht worden zich ook in Turkije te kunnen vestigen. De uitspraak werd gedaan door een kamer van drie leden, waarbij de voorzitter de uitspraak niet ondertekende.
Uitkomst: Het beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.