ECLI:NL:RVS:2018:1648
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- H.G. Sevenster
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling middelenvereiste bij machtiging tot voorlopig verblijf en arbeidsongeschiktheid
De staatssecretaris wees de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af vanwege het niet voldoen aan het middelenvereiste door de referent, de echtgenote, die een WIA-uitkering op grond van de WGA ontvangt. De rechtbank oordeelde dat het beleid onredelijk was en in strijd met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel, omdat het geen ruimte liet voor individuele beoordeling.
De staatssecretaris stelde dat het UWV de beoordeling van arbeidsongeschiktheid verricht en dat het aan de referent was om rechtsmiddelen te gebruiken tegen de toekenning van de uitkering. De Afdeling bevestigde dat het beleid zoals neergelegd in de Vreemdelingencirculaire 2000 niet onredelijk is en dat de staatssecretaris terecht uitging van het UWV-besluit. Er waren geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die een afwijking van het beleid rechtvaardigen.
De Afdeling oordeelde dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro correct was uitgevoerd, waarbij rekening werd gehouden met de Nederlandse nationaliteit van de referent en haar banden met Turkije. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris bevestigd.