ECLI:NL:RBDHA:2021:901
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige staandehouding en ophouding wegens verlopen visum
Eiser, van Indonesische nationaliteit, werd op 8 december 2020 aangehouden wegens overtreding van artikel 447e Sr in samenhang met de Wet op de Identificatieplicht en vervolgens opgehouden op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen de ophouding en vorderde schadevergoeding.
De rechtbank beoordeelde of zij bevoegd was over de rechtmatigheid van de staandehouding te oordelen en concludeerde dat dit het geval was, omdat uit het proces-verbaal niet bleek welk strafrechtelijk element aan de staandehouding ten grondslag lag. De enkele omstandigheid dat eiser een onlogische route liep was onvoldoende.
De rechtbank stelde vast dat eiser zijn paspoort toonde en dat de verbalisanten ten onrechte een aanvullende bevoegdheid ten opzichte van het vreemdelingentoezicht hadden gebruikt door hem op grond van het verlopen Portugese visum aan te houden. De staandehouding en ophouding waren daarom onrechtmatig.
De rechtbank kende eiser een schadevergoeding toe van €105,- voor een dag onrechtmatige ophouding en veroordeelde de Staat in de proceskosten van €1.068,-. Het beroep werd gegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de staandehouding en ophouding onrechtmatig waren en kent een schadevergoeding toe van €105,-.