Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 20 mei 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Daarnaast heeft verweerder ambtshalve besloten dat eiser niet in aanmerking komt voor een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd en dat geen uitstel van vertrek wordt verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000.
Overwegingen
6. Amv die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken
kunnenzijn, is voorzien in de Afdelingsjurisprudentie waarin wordt geoordeeld dat het verweerder vrij staat om zonder enige motivering een willekeurige registratie als uitgangspunt te nemen zolang de vreemdeling geen identificerende documenten kan tonen of feitelijk toont. Verweerder heeft in dit geval geen keuze gemaakt en in het midden gelaten wat de geboortedatum van eiser is. Verweerder heeft in zijn besluit wel expliciet aangegeven dat wordt uitgegaan van de minderjarigheid van eiser.
“nog niet geldt als terugkeerbesluit omdat eerst zal worden onderzocht of er voor betrokkene adequate opvang is buiten Nederland. Betrokkene moet aan dat onderzoek meewerken. Dat betekent dat betrokkene op dit moment geen terugkeerverplichting heeft en voorlopig niet uitgezet zal worden”.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op eiser binnen twee weken na heden in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning met ingang van 23 december 2020;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.496,--.