Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2021 in de zaak tussen
[eiser 2] en [eiser 3], allen te [woonplaats] , eisers
Rechtbank Den Haag
Eisers ontvingen persoonsgebonden budgetten (pgb's) op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) voor het jaar 2019. Verweerder trok deze pgb's in vanwege gebreken in de verantwoording van de zorg en de besteding van de pgb’s. Eisers stelden dat de pgb’s correct waren besteed en dat eventuele onvolkomenheden niet tot intrekking mochten leiden.
De rechtbank stelde vast dat de administratie van eisers onvoldoende duidelijkheid bood over wie, wanneer en welke zorg had geleverd. Er ontbrak een overzicht van zorgverleners en de urenregistratie was niet gedetailleerd. Ook waren er tegenstrijdigheden in verklaringen en ontbraken verklaringen voor verschillen tussen gefactureerde bedragen en uitbetalingen.
Gelet op de wettelijke verplichtingen en jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep was de intrekking van de pgb’s terecht. Eisers konden niet aannemelijk maken dat de pgb’s op juiste wijze waren besteed. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de pgb-besluiten wordt ongegrond verklaard.