Uitspraak
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser(gemachtigde: G. Gieben),
de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
Zitting
[C] .
Rechtbank Den Haag
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning, die door verweerder is vastgesteld op €141.000 voor het kalenderjaar 2019. Eiser stelde een lagere waarde van €112.000 voor, onderbouwd met een taxatierapport en vergelijkingsobjecten. Verweerder heeft een taxatieverslag en een matrix met vergelijkingsobjecten overgelegd ter onderbouwing van de vastgestelde waarde.
De rechtbank oordeelt dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld. De gehanteerde vergelijkingsmethode is systematisch en houdt rekening met relevante verschillen zoals gebruiksoppervlakte, staat van onderhoud en bouwjaar. De door eiser aangedragen vergelijkingsobjecten zijn minder bruikbaar vanwege verschillen in woningtype en verkoopdatum.
Daarnaast heeft eiser een verzoek ingediend tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank constateert dat de periode tussen het indienen van het bezwaar en de uitspraak meer dan twee jaar bedroeg, maar acht de coronacrisis als een bijzondere omstandigheid die deze termijnverlenging rechtvaardigt. Daarom wordt het verzoek afgewezen.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter E.E. Schotte op 16 april 2021.
Uitkomst: Het beroep tegen de WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wegens termijnoverschrijding wordt afgewezen.