Uitspraak
Beschikking op het op 11 april 2018 ingekomen verzoekschrift van:
[X] ,
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
De verdere procedure
- de brief van de IND van 18 april 2019 met bijlagen;
- de brief van de IND van 8 april 2020;
- de akte houdende uitlating van de zijde van verzoekster van 28 oktober 2020;
- de brief van de IND van 16 december 2020.
- mr. Jap-A-Joe;
- mr. Cappon en mr. J.A.M. van der Klis namens de IND.
Beoordeling
5 april 2015 van rechtswege heeft verloren op grond van artikel 15, lid 1, onder c, RWN.
26 juni 2015 kon zij weten dat zij het Nederlanderschap niet op grond van artikel 15 lid Pro 1, onder a RWN had verloren. Tot het moment van de uitspraak van de Hoge Raad gold voor verzoekster dat zij op grond van de Surinaamse remigratieregeling alles in het werk moest stellen om haar Nederlanderschap te verliezen. Zij heeft dit ook gedaan, terwijl zij achteraf het Nederlanderschap bleek te hebben behouden. Ook de Staat ging er vanuit dat verzoekster het Nederlanderschap al eerder had verloren. Hierom kon zij de verliestermijn niet stuiten en is vervolgens haar Nederlanderschap verloren gegaan.
Tjebbes), punt 40, onder verwijzing naar HvJEU 2 maart 2010, zaak C-135/08, ECLI:EU:C:2010:104 (
Rottmann), punten 55-56.
Tjebbes), punten 44-46, en ABRvS 12 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:423, rov. 11.2.
Chavez-Vilchez), punt 60.
additional elements of dependence’of wel ‘
more than the normal emotional ties’tussen haar en haar volwassen kinderen in Nederland, die voor het aannemen van beschermenswaardig gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro juncto art. 7 van Pro het Handvest van de EU, noodzakelijk zijn (zie bijv. EHRM 17 februari 2009, Onur tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2009:0217JUD002731907 en EHRM 17 januari 2012. Kopf en Liberda tegen Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:2012:0017JUD000159806). Evenmin heeft verzoekster gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt dat tussen haar en haar kleinkinderen sprake is van de vereiste ‘
sufficiently close ties’ (EHRM 25 november 2014, Krucik tegen Kroatië), no. 10140/13 rov. 108). Ook hierom kan geen schending van het evenredigheidsbeginsel worden aangenomen.
Beslissing
M.J. Alt-van Endt, rechters, bijgestaan door mr. I.M. Talstra-Touwen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 maart 2021.