ECLI:NL:RBDHA:2021:16954
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen ingangsdatum verleende verblijfsvergunning asiel ongegrond verklaard
Eiser diende op 19 februari 2020 een eerste asielaanvraag in, die op grond van de Dublinverordening aan Kroatië werd overgedragen. Deze aanvraag werd op 29 mei 2020 buiten behandeling gesteld en dit besluit staat in rechte vast. Nadat Nederland verantwoordelijk werd vanwege het niet tijdig overdragen, diende eiser op 3 oktober 2020 een tweede asielaanvraag in, die werd ingewilligd met ingang van die datum.
Eiser stelde beroep in tegen de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning en stelde dat deze terug moest gaan naar de datum van de eerste aanvraag. Hij verwees naar het declaratoire karakter van het vluchtelingenrecht en eerdere uitspraken van de Raad van State. Verweerder stelde dat er geen sprake was van een verzoek om heroverweging en dat artikel 44 lid 2 van Pro de Vreemdelingenwet dwingendrechtelijk bepaalt dat de vergunning ingaat op de datum van aanvraag.
De rechtbank oordeelde dat de eerste aanvraag terecht buiten behandeling is gesteld en dat de situatie niet vergelijkbaar is met eerdere uitspraken waarin een eerdere ingangsdatum werd toegekend. Omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn, bestaat geen grond voor een eerdere ingangsdatum. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de ingangsdatum van de verleende verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.