ECLI:NL:RVS:2024:1192
Raad van State
- Hoger beroep
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Vaststelling juiste ingangsdatum verblijfsvergunning asiel na Dublinverordening
De vreemdeling diende op 19 februari 2020 een asielaanvraag in, die aanvankelijk niet werd behandeld omdat Kroatië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk was. Nederland werd later verantwoordelijk omdat de overdracht niet tijdig plaatsvond. De staatssecretaris verleende een verblijfsvergunning met ingang van de datum van een tweede aanvraag op 3 oktober 2020.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris een besluit moest nemen op de oorspronkelijke aanvraag en dat de ingangsdatum van de vergunning op die datum moest worden vastgesteld. Het hoger beroep van de vreemdeling was gegrond, de uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het besluit van 17 juni 2021 werd vernietigd voor zover het de ingangsdatum betrof.
De Afdeling stelde zelf de ingangsdatum vast op 19 februari 2020 en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 2.625,00.
Uitkomst: De ingangsdatum van de verblijfsvergunning wordt vastgesteld op 19 februari 2020 en het eerdere besluit wordt vernietigd.