Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
de Staatsecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
.Als tolk is verschenen mevrouw L. Pomper.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Nigeriaanse Dublinclaimant, verzocht om een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op humanitaire gronden als slachtoffer van mensenhandel. Zijn aanvraag werd ambtshalve afgewezen door verweerder omdat het Openbaar Ministerie (OM) had besloten geen strafrechtelijk onderzoek te starten en de aanwezigheid van eiser in Nederland niet langer noodzakelijk was.
Eiser stelde dat hij vanaf het moment dat hij aangifte deed of zijn bereidheid tot medewerking toonde, recht had op een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van Pro Richtlijn 2004/81/EG en verwees naar het arrest Rantsev. Hij voerde aan dat het beleid van verweerder, dat onderscheid maakt tussen Dublinclaimanten en niet-Dublinclaimanten, in strijd is met de richtlijn.
De rechtbank oordeelde dat het beleid van verweerder gerechtvaardigd is en in overeenstemming met de richtlijn, mede omdat het OM had vastgesteld dat de aanwezigheid van eiser niet noodzakelijk was voor opsporing of vervolging. De rechtbank wees ook het beroep af dat verweerder ten onrechte afzag van het horen in bezwaar. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen.
De rechtbank concludeerde dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning en dat het beleid van verweerder niet in strijd is met Richtlijn 2004/81/EG. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.