Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.De tenlastelegging
terwijl dit misdrijf met een terroristisch oogmerk is gepleegd;
3.De bewijsbeslissing
terrorismeis het uit ideologische motieven dreigen met, voorbereiden of plegen van op mensen gericht ernstig geweld, dan wel daden gericht op het aanrichten van maatschappij-ontwrichtende zaakschade, met als doel maatschappelijke veranderingen te bewerkstelligen, de bevolking ernstige vrees aan te jagen of politieke besluitvorming te beïnvloeden.
terroristisch oogmerkmoet worden verstaan. Kort gezegd komt het erop neer dat het oogmerk van de verdachte erop moet zijn gericht om (een deel van) de bevolking ernstige vrees aan te jagen, dan wel een overheid/organisatie te dwingen iets te doen, te dulden of na te laten, dan wel de fundamentele structuren van een land te ontwrichten of te vernietigen.
motiefof
einddoel. Het gaat erom
welk effectde verdachte met een gedraging wil bereiken en dus niet om de vraag
waaromde daad wordt gepleegd. Kort gezegd gaat het er dus om wat de verdachte met zijn daad wil bereiken. Het ideologische motief kan uiteraard wel een zekere rol spelen in het bewijzen van het terroristisch oogmerk. Immers, als iemand een ideologie aanhangt waarin geweld niet wordt geschuwd, zal het in de regel makkelijker zijn het terroristisch oogmerk vast te stellen.
Onder het oogmerk om (een deel van) de bevolking ernstige vrees aan te jagen moet naar het oordeel van de rechtbank worden verstaan dat een dader met het gepleegde misdrijf tot doel heeft te veroorzaken dat (een – voldoende substantieel – deel van) de bevolking angstige gevoelens voor iets dreigends krijgt, bijvoorbeeld in de trant van dat een ieder kan vrezen het volgende slachtoffer te zijn (Memorie van Antwoord, Kamerstuk 2003-2004, 28463, nr. C, Eerste Kamer, blz. 7). Niet is vereist dat het aanjagen van vrees tot het daadwerkelijk geïntimideerd zijn van de bevolking behoeft te hebben geleid (Memorie van Toelichting, Kamerstuk 2001-2002, 28463, nr. 3, Tweede Kamer, blz. 3) (…) Hoewel het gooien van een (enkele) vuurwerkbom in een pand waarin geen personen meer aanwezig zijn, tot een explosie en/of brand – en daarmee tot (grote) materiële schade – kan leiden, kan niet worden gezegd dat zo’n misdrijf of de omvang van de beoogde gevolgen daarvan zo groot en veelomvattend is, dat reeds daardoor het oogmerk om (een deel van) het volk in het land ernstige vrees aan te jagen, bewezen moet worden geacht.
deze vreeste laten ontstaan.
Saoedi-Arabië heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, door met een vuurwapen (te weten een Glock) 29 maal op het ambassadegebouw van het Koninkrijk
Saoedi-Arabië te schieten.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De oplegging van de straf en maatregel
ongemaximeerdetbs-maatregel ook nog de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel in de zin van artikel 38z Sr aan de verdachte op te leggen.
bijna helemaal welaan de verdachte kunnen worden toegerekend, volgt de rechtbank niet. Uit de rapportage van het PBC volgt immers, hetgeen de rechtbank mede gelet op de rest van het dossier goed kan volgen, dat sprake is van
minst genomenverminderde toerekenbaarheid.
7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
8.De inbeslaggenomen voorwerpen
9.De toepasselijke wetsartikelen
10.De beslissing
4 (vier) jaren;
terbeschikkingstellingvan de verdachte;
van overheidswege zal worden verpleegd;