ECLI:NL:RBDHA:2021:14009
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WIA-uitkering en loonsanctie bij onvoldoende reintegratie-inspanningen
Eiser, voormalig directieadviseur, meldde zich ziek in augustus 2017 en vroeg in juni 2019 een WIA-uitkering aan. Verweerder kende hem een uitkering toe vanaf 27 augustus 2019 met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 35-80%, later vastgesteld op 61,94%. Eiser betwistte dit percentage en voerde aan dat hij volledig arbeidsongeschikt was, met onvoldoende erkenning van oogklachten en psychische beperkingen. Tevens stelde hij dat een loonsanctie ten onrechte niet was opgelegd.
De rechtbank beoordeelde de medische rapporten van verzekeringsartsen als zorgvuldig en voldoende onderbouwd. De primaire en b&b verzekeringsarts concludeerden dat eiser niet volledig arbeidsongeschikt was en dat de beperkingen adequaat waren vastgesteld. De door eiser overgelegde aanvullende medische informatie en GGZ-diagnose na de datum in geding konden het oordeel niet wijzigen.
Ten aanzien van de loonsanctie oordeelde de rechtbank dat hoewel verweerder te laat was met het nemen van een loonsanctiebesluit, de werkgever voldoende reintegratie-inspanningen had verricht. Mediationpogingen waren ondernomen, maar niet geslaagd. De rechtbank bevestigde dat het niet opleggen van een loonsanctie terecht was en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt dat het arbeidsongeschiktheidspercentage terecht is vastgesteld op 61,94% en dat de loonsanctie terecht niet is opgelegd.