Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopBij besluit van 13 oktober 2020 heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: asielaanvraag) in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in verbinding met artikel 31 van Pro de Vw 2000. Ook is daarbij bepaald dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en dat haar geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000 wordt verleend. Het besluit geldt verder als een terugkeerbesluit.
Overwegingen
onvolledigis. Voorts acht de rechtbank geen aanleiding aanwezig voor het oordeel dat verweerder bij het hier bestreden besluit gehouden is integraal alles te (her)beoordelen, ook wat in de procedure tot de vernietiging van het besluit van 13 oktober 2020 naar voren is gebracht. Dat zou zich immers niet goed verhouden tot de kracht van gewijsde van de tussen- en einduitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van respectievelijk 15 april 2021 en 30 juni 2021. In die uitspraak zijn bepaalde geschilpunten tussen partijen immers onherroepelijk afgedaan, terwijl door geen van de partijen tegen de einduitspraak hoger beroep is ingesteld.
uitdrukkelijk en zonder voorbehoudzijn verworpen, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden uit moet gaan (de ‘Brummen’-leer). In dit geval heeft de rechtbank uitdrukkelijk een voorbehoud opgenomen ten aanzien van door eiseres ingediende gronden omtrent haar identiteit. De rechtbank heeft in de einduitspraak er immers op gewezen dat zij – kennelijk vanwege het tardief indienen en niet beschikken over vertalingen van de stukken – voorbij zal gaan aan de door eiseres op 21 juni 2021 ingediende stukken, maar dat deze stukken wél uitdrukkelijk door verweerder in de volgende besluitvorming meegenomen dienen te worden. Verweerder heeft de door eiseres ingediende stukken vervolgens ook in zijn in het bestreden besluit vervatte voornemen meegenomen.
allebewijskracht ten aanzien van deze stukken kan worden ontzegd. Voorts kan de omstandigheid, waarnaar verweerder ter zitting heeft verwezen, dat de datum van aanvraag van deze documenten juni 2021 is, op zichzelf ook niet leiden tot het terzijde leggen van de stukken. Eiseres dient om haar relaas te onderbouwen stukken te overleggen, wat de verklaring kan zijn voor de datum van de aanvraag en niet valt in te zien dat niet op elk willekeurig moment kan worden verzocht aan autoriteiten om uittreksels en/of “bewijs” van een geboortedatum. Eiseres verkeert voorts in bewijsnood om aan te tonen dat het destijds overgelegde paspoort vals is nu zij heeft verklaard, en dit wordt door verweerder niet uitdrukkelijk betwist, dat zij dit paspoort niet heeft en overigens ook nooit in haar bezit heeft gehad. Zij zal dus omdat ze het paspoort waarmee ze een visum heeft aangevraagd en heeft gereisd niet kan tonen op een andere wijze haar standpunten moeten onderbouwen en verricht daartoe ook inspanningen. Verweerder mag weliswaar van een ieder verwachten om identiteitsdocumenten zoals een paspoort bij zich te dragen, maar dient zich hierbij in de onderhavige procedure wel rekenschap te geven van de minderjarigheid van eiseres ten tijde van de reis indien hij in wezen dit wil tegenwerpen. In de onderhavige procedure heeft bovendien te gelden dat eiseres in het eerste gehoor door de hoormedewerker geconfronteerd is met de omstandigheid dat ten behoeve van twee andere personen op exact dezelfde data paspoorten zijn afgegeven en visa zijn aangevraagd. Aan eiseres wordt gevraagd of zij deze twee andere personen kent waarop eiseres heeft verklaard dat zij niet met hen heeft gereisd. De rechtbank overweegt dat dit een zekere onderbouwing is voor de stelling van eiseres dat een derde de documenten “heeft geregeld” omdat het minstgenomen toevallig is dat op dezelfde data paspoorten worden afgegeven en visa worden aangevraagd en verweerder zelf een link legt dat eiseres deze twee personen wellicht kent. Dit stemt bovendien ook overeen met de door verweerder zelf aangehaalde passages uit het Algemeen Ambtsbericht dat in Congo veel vervalste documenten in omloop zijn. Hoewel verweerder terecht gesteld heeft dat normaalgesproken bij de aanvraag van een visum een paspoort en foto moeten worden overgelegd van de houder van dat paspoort en daarbij tevens vingerafdrukken worden genomen, komen aan die aspecten, gegeven de door eiseres ingenomen stellingen dat bij de visumaanvraag valse documenten zijn overgelegd, in het hier voorliggende geval niet zoveel gewicht toe dat de documenten van eiseres ter zijde kunnen worden gelegd. Aan eiseres is tegengeworpen dat op de door haar overgelegde stukken geen pasfoto staat. In het door twee buitengewoon opsporingsambtenaren van politie op ambtsbelofte opgemaakte proces verbaal van verhoor van 8 maart 2020 is het navolgende hierover opgemerkt: