ECLI:NL:RVS:2019:661
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- E. Steendijk
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verantwoordelijkheid Italië voor asielaanvraag vreemdeling op grond van Dublinverordening
De vreemdeling diende op 25 augustus 2016 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel in Nederland. De staatssecretaris nam deze aanvraag op 20 maart 2017 niet in behandeling, omdat op grond van de Dublinverordening Italië verantwoordelijk was voor de behandeling van de aanvraag. De rechtbank had dit besluit vernietigd, stellende dat de vreemdeling voldoende aannemelijk had gemaakt dat hij minderjarig was en Afghaans, waardoor de informatie in EU-vis niet doorslaggevend was.
De Raad van State oordeelt echter dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de vreemdeling de onjuistheid van de gegevens in EU-vis heeft aangetoond. De verklaringen van de vreemdeling over zijn nationaliteit en leeftijd waren tegenstrijdig en onvoldoende gestaafd. Ook was het Afghaanse document (taskera) niet overtuigend echt. De staatssecretaris mocht daarom uitgaan van de juistheid van de EU-vis gegevens.
Verder stelde de Raad dat de staatssecretaris niet verplicht was een eigen onderzoek te doen naar de echtheid van het Pakistaanse paspoort, vooral omdat de vreemdeling het paspoort had teruggegeven aan de reisagent. Ook was het niet noodzakelijk om een leeftijdsonderzoek of DNA-onderzoek aan te bieden. De Raad verklaarde het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond en het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond, waardoor het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt bevestigd.