ECLI:NL:RBDHA:2021:12497
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen intrekking verblijfsvergunning wegens ernstige misdrijven en oplegging inreisverbod
Eiser, met Marokkaanse nationaliteit, verblijft sinds 1994 rechtmatig in Nederland en had een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd. Verweerder trok deze vergunning in vanwege onherroepelijke veroordelingen voor ernstige misdrijven, waaronder drugshandel en diefstal, met een totale gevangenisstraf van 16 maanden. Tevens werd een inreisverbod van tien jaar opgelegd.
Eiser stelde dat de intrekking disproportioneel was, dat het Unierechtelijk openbare orde-criterium ten onrechte niet werd toegepast, en dat de inmenging in zijn gezins- en privéleven volgens artikel 8 EVRM Pro onrechtmatig was. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht uitging van de totale strafduur volgens de glijdende schaal en dat het openbare orde-criterium niet van toepassing is bij intrekking van de verblijfsvergunning, maar wel bij het inreisverbod.
De belangenafweging door verweerder werd als zorgvuldig en evenwichtig beoordeeld, waarbij zowel de lange verblijfsduur en persoonlijke omstandigheden van eiser als de ernst van zijn misdrijven werden meegewogen. De rechtbank vond geen strijd met artikel 8 EVRM Pro en bevestigde dat eiser een actuele en ernstige bedreiging vormt voor de samenleving, rechtvaardigend het inreisverbod.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, en verweerder hoefde het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State niet over te nemen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod is ongegrond verklaard.