ECLI:NL:RBDHA:2020:8325
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-in behandeling nemen opvolgende asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser diende een opvolgende asielaanvraag in, die door verweerder niet in behandeling werd genomen op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet, omdat Italië verantwoordelijk blijft voor de behandeling van de aanvraag. De overdrachtstermijn aan Italië was opgeschort door een uitspraak van de voorzieningenrechter, maar deze termijn begon opnieuw te lopen na de beslissing op bezwaar, waardoor de termijn nog niet was verstreken.
Eiser stelde dat hij vanwege zijn gezinsband met een in Nederland verblijvende zwangere echtgenote en zijn medische toestand toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening rechtvaardigde. Verweerder vond echter dat eiser zijn gezinsband onvoldoende aannemelijk had gemaakt en dat zijn medische situatie geen bijzondere kwetsbaarheid betrof die een uitzondering zou rechtvaardigen.
De rechtbank oordeelde dat de opschorting van de overdrachtstermijn terecht was toegepast en dat de volledige termijn opnieuw was gaan lopen. Daarnaast was het persoonlijk onderhoud achterwege gelaten omdat eiser schriftelijk alle relevante informatie had verstrekt. De medische stukken toonden geen ernstige risico's bij overdracht naar Italië. Ook het beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel werd verworpen vanwege gebrek aan actuele informatie over de situatie in Italië.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht de verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag bij Italië liet en dat toepassing van artikel 17 niet Pro aan de orde was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet-in behandeling nemen van de opvolgende asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.