Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
primairop het standpunt dat nu er sprake is van een terugnamesituatie, verzoekster geen geslaagd beroep kan doen op de verantwoordelijkheidscriteria van hoofdstuk III van de Dublinverordening, waaronder artikel 10 van Pro de Dublinverordening valt. Ter onderbouwing hiervan wordt verwezen naar rechtsoverweging 5 van de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3672).
Subsidiairstelt verweerder zich op het standpunt dat verzoekster – gelet op de uitspraak van de Afdeling van 23 augustus 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:3224) – niet in Nederland, maar in Spanje haar huwelijk dan wel duurzame relatie met de heer Danchanka dient aan te tonen, nu Spanje en niet Nederland verantwoordelijk is voor haar asielaanvraag. Daarbij is volgens verweerder het feit dat Nederland inmiddels verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van haar gestelde echtgenoot geen relevant novum. Tot slot stelt verweerder zich meer subsidiair op het standpunt dat verzoekster niet heeft aangetoond dat zij een gezinslid is in de zin van artikel 10 juncto Pro artikel 2, onder g van de Dublinverordening, omdat zij niet heeft aangetoond dat zij en haar (gestelde) echtgenoot reeds in het land van herkomst gehuwd waren, dan wel reeds in het land van herkomst een duurzame relatie hadden. Verweerder verwijst in dit verband naar het verweerschrift van 1 juli 2020. Een originele huwelijksakte heeft verzoekster niet overgelegd, aldus verweerder. Verweerder is van mening dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.
had kunnen aanvoeren. Verzoekster had echter reeds ten tijde van het beroep bij de rechtbank dan wel in hoger beroep bij de Afdeling tegen de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, kunnen aanvoeren dat de termijn voor het indienen van een verzoek om overname door verweerder was overschreden. Daarom kan deze vaststelling verzoekster helaas niet meer baten. De rechtszekerheid behoort immers tot de in het Unierecht erkende algemene beginselen. Dat een besluit van een bestuursorgaan definitief wordt na het verstrijken van een redelijke (hoger)beroepstermijn of na uitputting van alle rechtsmiddelen, draagt bij aan die zekerheid. Bijgevolg vereist het Unierecht niet dat verweerder in beginsel moet terugkomen op een besluit dat aldus definitief is geworden (vgl. punt 24 van het arrest van het HvJ-EU in de zaak Kühne & Heitz N.V. van 13 januari 2004, ECLI:EU:C:2004:17).