ECLI:NL:RBDHA:2020:4314
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag voorrangsverklaring wegens niet voldoen aan oplossingscriterium woonprobleem
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een voorrangsverklaring op grond van de Huisvestingsverordening Den Haag 2015-2019, welke door het college van burgemeester en wethouders is afgewezen omdat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar woonprobleem niet op een andere wijze kan oplossen.
Na afwijzing van bezwaar en voorlopige voorzieningen heeft eiseres beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op de stukken behandeld vanwege de coronamaatregelen.
De rechtbank overweegt dat eiseres ten tijde van de aanvraag niet de voogdij had over haar zoon en dat de situatie van gezinsuitbreiding geen ander oordeel rechtvaardigt. Tevens is onvoldoende onderbouwd dat zij in een erkende tijdelijke opvang verbleef of dat haar een urgentieverklaring was toegezegd. Eiseres heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat zij geen kamer of studio kan huren, terwijl het college aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarvoor financiële ondersteuning kan krijgen.
De rechtbank oordeelt dat eiseres niet voldoet aan de bovenliggende voorwaarde van artikel 29, eerste lid, onder g, van de Huisvestingsverordening en dat het college terecht de aanvraag niet inhoudelijk heeft getoetst. Ook de hardheidsclausule is niet van toepassing omdat haar situatie zich niet zodanig onderscheidt van andere woningzoekenden. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een voorrangsverklaring wordt ongegrond verklaard.