ECLI:NL:RBDHA:2019:12241
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in bestuursrechtelijke beroepsprocedure
Verzoekster heeft een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend tegen het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, nadat een eerdere voorlopige voorziening tijdens de bezwaarprocedure was afgewezen. De voorzieningenrechter overweegt dat een beslissing op een verzoek om voorlopige voorziening tijdens bezwaar in principe geldt totdat op het bezwaar en eventueel beroep is beslist.
Omdat het standpunt van verweerder ongewijzigd is gebleven en er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om het eerdere oordeel te herzien. Er is geen sprake van ernstige onvolkomenheden in de eerdere uitspraak of een belangrijke wijziging van de feiten.
Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen zonder zitting. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan nieuwe feiten of omstandigheden.