ECLI:NL:RBDHA:2020:2021
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van BPM-heffing en hoorplicht bij registratie van margeauto’s
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de BPM-heffing voor de registratie van vier margeauto’s, waarbij zij stelde dat de waardevermindering van de auto’s moest worden berekend op basis van ex-rental voertuigen en dat de voorafgaande betaling van BPM in strijd is met het Unierecht.
De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van schending van de hoorplicht, aangezien verweerder meerdere concrete hoorgesprekken heeft aangeboden die door eiseres of haar gemachtigde zijn geannuleerd zonder alternatieven aan te dragen. Daarnaast is eiseres niet geslaagd in haar bewijslast om aan te tonen dat de auto’s ex-rentals zijn of dat de BPM verminderd moet worden.
Voorts is geoordeeld dat de voorafgaande betaling van BPM niet in strijd is met het Unierecht, mede vanwege het kaderbesluit dat rekening houdt met een termijn tussen aangifte en registratie en een leeftijdskorting. Eventuele rentenadeel dient eiseres civielrechtelijk te verhalen. Ook de hoogte van het griffierecht vormt geen belemmering voor toegang tot de rechter.
Het verzoek om prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ is afgewezen omdat de rechtbank geen aanleiding ziet. De beroepen zijn ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen de BPM-heffing worden ongegrond verklaard en het verzoek om prejudiciële vragen wordt afgewezen.