ECLI:NL:RBDHA:2020:1643
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking Nederlanderschap wegens verzwijging relatiegegevens
Verzoeker diende in 2011 een aanvraag in voor verblijf bij partner [partner] en verklaarde een exclusieve relatie met hem te hebben. Later bleek dat hij sinds november 2011 ook een relatie had met mevrouw [mevrouw], die hij niet had gemeld bij zijn verblijfs- en naturalisatieaanvragen. De staatssecretaris trok daarop het Nederlanderschap met terugwerkende kracht in op grond van artikel 14, eerste lid, RWN.
Verzoeker betoogde dat hij geen exclusieve relatie met mevrouw [mevrouw] had tijdens de aanvragen en dat het verzwijgen van deze contacten niet relevant was. Ook stelde hij dat er geen belangenafweging had plaatsgevonden en verwees naar Europese jurisprudentie. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker relevante feiten had verzwegen die van essentieel belang waren voor de beoordeling van zijn verblijfsrechtelijke situatie en naturalisatie.
De rechter vond dat de belangenafweging door de staatssecretaris voldoende was gemaakt, mede gelet op het arrest Rottmann. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen omdat het primaire besluit waarschijnlijk in bezwaar stand zal houden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van het Nederlanderschap wordt afgewezen.