ECLI:NL:RBDHA:2020:1492
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing nareisaanvraag vanwege meerderjarigheid referent na termijn van drie maanden
De zaak betreft een nareisaanvraag door eiseres, moeder van referent, die ten tijde van zijn asielaanvraag minderjarig was maar tijdens de eerste nareisprocedure meerderjarig werd. Referent diende binnen drie maanden na erkenning van zijn vluchtelingenstatus een eerste nareisaanvraag in, die werd afgewezen omdat eiseres niet beschikbaar was voor onderzoek. Bij de tweede nareisaanvraag, ruim na deze termijn, werd de aanvraag door verweerder afgewezen omdat referent inmiddels meerderjarig was.
Eiseres stelde dat verweerder ten onrechte uitging van de meerderjarigheid bij de tweede aanvraag en verwees naar het arrest A. en S. van het Hof van Justitie, waarin werd bepaald dat het peilmoment voor minderjarigheid de datum van de asielaanvraag is. De rechtbank oordeelde echter dat het arrest niet inhoudt dat een vreemdeling zich zonder tijdsbeperking op zijn minderjarigheid kan beroepen, maar dat een nareisaanvraag binnen een redelijke termijn van drie maanden moet worden ingediend.
De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht niet meer uitging van minderjarigheid bij de tweede nareisaanvraag en dat het beroep ongegrond is. De rechtbank volgt hiermee het oordeel van de zittingsplaatsen Amsterdam en Haarlem en wijkt af van Zwolle. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de nareisaanvraag is ongegrond verklaard omdat de tweede aanvraag buiten de redelijke termijn werd ingediend en referent meerderjarig was.