Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 28 mei 2020 in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
(…)
Rechtbank Den Haag
Eiser, sinds 1988 in Nederland verblijvend en in het bezit van de Marokkaanse nationaliteit, kreeg zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht ingetrokken vanwege herhaalde misdrijven en een totaal van ruim 11 jaar gevangenisstraf. Verweerder legde tevens een inreisverbod van tien jaar op wegens de actuele, werkelijke en ernstige bedreiging die eiser vormt voor de samenleving.
Eiser voerde aan dat de intrekking onrechtmatig was omdat hij al 30 jaar rechtmatig verblijf had en geen misdrijf had gepleegd zoals bedoeld in artikel 22b Sr. De rechtbank oordeelde dat de intrekking terecht was, dat het rechtszekerheidsbeginsel niet werd geschonden en dat verweerder de juiste wettelijke bepalingen toepaste.
Hoewel eiser een relatie en kinderen in Nederland heeft en zorg- en opvoedingstaken verricht, concludeerde de rechtbank dat het gezinsleven beperkt was en dat de belangen van de samenleving zwaarder wegen. De Raad voor de Kinderbescherming stelde dat de kinderen niet afhankelijk zijn van eiser en dat zijn aanwezigheid zelfs een bedreiging kan vormen.
Eiser kwam ook niet in aanmerking voor een verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro, omdat geen zodanige afhankelijkheidsrelatie met zijn kinderen bestaat dat zij de EU zouden moeten verlaten bij zijn vertrek. De rechtbank bevestigde dat het belang van de samenleving bij het vertrek van eiser zwaarder weegt dan zijn familie- en privéleven.
Het beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de verblijfsvergunning en het inreisverbod bleven van kracht.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning en het opleggen van het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.