ECLI:NL:RVS:2010:BO0830
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B. van Wagtendonk
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing artikel 3.86, achtste lid, Vreemdelingenbesluit 2000 bij intrekking verblijfsvergunning regulier
De vreemdeling was bij besluit van 3 juli 2009 ongewenst verklaard en zijn verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd werd ingetrokken. Hiertegen maakte hij bezwaar en stelde beroep in bij de rechtbank, dat ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde hij hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de uitleg van artikel 3.86, achtste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000, waarin een uitzondering is opgenomen op de hoofdregel van afwijzing van verlenging van verblijfsvergunningen bij ernstige strafbare feiten. De vreemdeling stelde dat de verblijfsduur in dit lid anders moet worden uitgelegd dan in het tweede lid, maar de Raad van State oordeelde dat deze op dezelfde wijze moet worden geïnterpreteerd, conform de systematiek en de nota van toelichting.
Daarnaast overwoog de Raad dat de vreemdeling geen belang had bij het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning zolang hij ongewenst was verklaard, omdat dit geen rechtmatig verblijf kan opleveren. De Raad verklaarde het hoger beroep daarom voor zover gericht tegen de intrekking niet ontvankelijk en bevestigde de uitspraak van de rechtbank voor het overige.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 8 oktober 2010 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het hoger beroep is voor zover gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning niet ontvankelijk verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.