ECLI:NL:RBDHA:2020:10452
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaard verzet tegen naheffingsaanslag BPM en verzuimboete met vergoeding wegens termijnoverschrijding
Opposante heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag en verzuimboete BPM opgelegd door de Belastingdienst. De rechtbank heeft het beroep zonder zitting kennelijk ongegrond verklaard omdat niet is gebleken dat de aanslag of boete onterecht of te hoog is opgelegd. Tevens is vastgesteld dat de hoorplicht niet is geschonden omdat opposante de mogelijkheid had om te reageren op de vooraankondiging.
Het verzet tegen deze uitspraak is eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelt dat de bevoegdheid om zonder zitting uitspraak te doen op grond van artikel 8:54 Awb Pro niet in strijd is met het recht van de Europese Unie en dat er geen reden is om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen.
Wel is vastgesteld dat de redelijke termijn van berechting met vijf maanden is overschreden, waardoor opposante recht heeft op een schadevergoeding van € 500. Daarnaast is verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en een proceskostenvergoeding, waarbij een wegingsfactor is toegepast omdat de vergoeding uitsluitend voortvloeit uit de termijnoverschrijding.
De rechtbank wijst het verzoek om vermindering van de verzuimboete af, omdat de boete lager is dan € 1.000 en de overschrijding van de redelijke termijn voldoende is vastgesteld. De uitspraak is gedaan door rechter M.A. Dirks op 13 oktober 2020.
Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van schadevergoeding, proceskosten en griffierecht wegens overschrijding van de redelijke termijn.