ECLI:NL:RBDHA:2019:7399

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juli 2019
Publicatiedatum
22 juli 2019
Zaaknummer
AWB - 18 _ 7179
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3.71a VbArt. 16, eerste lid, aanhef en onder h, Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf wegens te late indiening en onvoldoende bewijs duurzame relatie

Eiseres, een Ghanees staatsburger, diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij haar partner te verblijven. De aanvraag werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen omdat niet was voldaan aan het inburgeringsvereiste en er onvoldoende bewijs was voor een duurzame en exclusieve relatie.

Eiseres en haar partner voerden aan dat verweerder ten onrechte niet nader onderzoek had verricht naar hun relatie en dat zij inmiddels in Ghana waren getrouwd. Tevens werd betoogd dat het beperken van de geldigheidsduur van het inburgeringsexamen in strijd was met het evenredigheidsbeginsel en het nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

De rechtbank oordeelde dat de aanvraag een maand te laat was ingediend, wat voor risico van eiseres kwam. Er was geen sprake van een situatie waarin gezinshereniging onmogelijk of uiterst moeilijk werd gemaakt door het opnieuw moeten afleggen van het inburgeringsexamen. De rechtbank zag geen reden om het beroep gegrond te verklaren en wees het af.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag wordt ongegrond verklaard vanwege te late indiening en onvoldoende bewijs van een duurzame relatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 18/7179

uitspraak van de enkelvoudige kamer 18 juli 2019 van in de zaak tussen

[eiser], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. P. Scholtes),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (een mvv) met het doel ‘verblijf bij familie- of gezinslid [A].’
Bij besluit van 29 augustus 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2019. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens zijn referent, zijn vader en I. Ringelé als tolk verschenen. Verweerder is met voorafgaand bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op 21 september 1979 en heeft de Ghanese nationaliteit. Een eerder verzoek voor een mvv voor verblijf bij [A] (hierna: referent) is bij beschikking van 12 april 2013 afgewezen. Onderhavige aanvraag is door referent op 21 september 2017 ingediend.
2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie die op één lijn met een huwelijk te stellen is. Een eerdere mvv-aanvraag is afgewezen en uit informatie van de basisregistratie personen is gebleken dat referent twee kinderen bij andere vrouwen heeft, geboren in respectievelijk 2011 en 2013, terwijl eiseres en referent stellen sinds 2008 een relatie te hebben. Bovendien is de bij de huidige aanvraag afgelegde verklaring over het begin van de relatie gelijk aan de verklaring zoals afgelegd bij de eerdere mvv-aanvraag, die is afgewezen omdat er sprake was van op essentiële onderdelen tegenstrijdige verklaringen. De overgelegde bewijzen zijn onvoldoende om tot het oordeel te komen dat (nu wel) sprake is van een duurzame en exclusieve relatie, nu deze stukken slechts een periode van augustus 2014 tot en met juli 2018 beslaan terwijl van eiseres verwacht mag worden dat zij over een veel langere periode bewijs van de relatie kan overleggen, gelet op de ontstaansdatum van de relatie.
Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat het inburgeringsexamen weliswaar op 10 augustus 2016 is behaald, maar de mvv-aanvraag niet binnen één jaar is ingediend, waardoor de geldigheidsduur van het examen is verlopen en niet wordt voldaan aan artikel 16, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet.
3. Eiseres en referent (hierna: eisers) kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en voeren – samengevat weergegeven – het volgende aan. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 7 oktober 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3755) menen eisers dat verweerder – gelet op de hoeveelheid overgelegde bewijsstukken – niet zonder nader onderzoek naar de relatie de in 2012 geconstateerde tegenstrijdigheden en inconsistenties had mogen tegenwerpen. Verweerder heeft er, gelet op het tijdsverloop sinds de vorige procedure en de in deze procedure overgelegde bewijsstukken, ten onrechte vanaf gezien eisers te horen over hun relatie. Het enkel verwijzen naar de beoordeling in een eerdere procedure is blijkens de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 23 maart 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:3384) onvoldoende voor de conclusie dat een later gesloten huwelijk of duurzame relatie een schijnhuwelijk of -relatie betreft.
Hangende de beroepsprocedure zijn eisers in Ghana op 31 mei 2019 in het huwelijk getreden. Ter onderbouwing zijn in beroep een kopie van de huwelijksakte, een kopie van het paspoort van referent met inreisstempel Ghana d.d. 27 mei 2019 en 73 foto’s van het huwelijk overgelegd. Eisers menen dat verweerder er ten onrechte vanuit is gegaan dat een schijnrelatie een vaststaand gegeven is en dat hieruit geen oprechte relatie of een oprecht huwelijk kan ontstaan en verwijzen hiervoor naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 30 augustus 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:10519).
Eisers wijzen voorts ten aanzien van het inburgeringsexamen op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het HvJ van de EU) van 9 juli 2015 (ECLI:EU:C:2015:453) en menen dat het beperken van de geldigheidsduur van het inburgeringsexamen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn ontneemt.
4. De rechtbank overweegt als volgt.
4.1
Uit de door eiseres aangehaalde jurisprudentie van het HvJ van de EU blijkt dat een vreemdeling van de inburgeringsverplichting moet worden ontheven indien handhaving van de verplichting het inburgeringsexamen met goed gevolg af te leggen gezinshereniging onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. In dit geval heeft eiseres het inburgeringsexamen met goed gevolg afgelegd, maar is de aanvraag een maand na het verstrijken van de in artikel 3.71a, eerste lid, van het Vb gestelde termijn van één jaar ingediend. Hoewel het betoog van eiseres dat niet aannemelijk is dat in het tijdsbestek van een maand het inburgeringsexamen zodanig van inhoud is gewijzigd dat niet langer van het examenresultaat mag worden uitgegaan, in beginsel begrijpelijk is, laat dit onverlet dat naar het oordeel van de rechtbank de verantwoordelijkheid voor het tijdig indienen van de aanvraag bij eiseres ligt. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiseres eerder eenzelfde aanvraag heeft ingediend en daarom reeds op de hoogte had moeten of in elk geval kunnen zijn van de vereisten die aan een dergelijke aanvraag worden gesteld. Er zijn bovendien geen redenen om aan te nemen dat eiseres een nieuw inburgeringsexamen niet wederom met goed gevolg af zou kunnen leggen. Dat eiseres de aanvraag een maand te laat heeft ingediend dient dan ook voor risico van eiseres te komen. Van een situatie waarbij gezinshereniging onmogelijk of uiterst moeilijk wordt gemaakt indien van eiseres wordt verlangd een nieuw examen af te leggen en een nieuwe aanvraag in te dienen, is de rechtbank niet gebleken. Gelet op het voorgaande is van strijd met het nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn geen sprake.
4.2
Nu verweerder niet ten onrechte heeft gesteld dat niet aan het inburgeringsvereiste van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 in samenhang gelezen met artikel 3.71a, eerste lid, van het Vb 2000 is voldaan, heeft verweerder de aanvraag reeds om die reden kunnen afwijzen. Aan een toetsing van de overige beroepsgronden komt de rechtbank dan ook niet toe.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Biever, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroon - Overdijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.