Eiseres, van Eritrese nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen een besluit waarbij haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank onderzoekt ambtshalve of eiseres procesbelang heeft bij het beroep, aangezien het beroep louter gericht is op het voorkomen dat de valsheid van een overgelegde huwelijksakte in rechte wordt vastgesteld.
De rechtbank stelt vast dat de verleningsgronden onder artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vw 2000 dezelfde materiële rechten bieden, waardoor eiseres niet in een gunstiger positie kan komen door de vluchtelingenstatus te verkrijgen. De valsheid van de huwelijksakte heeft geen invloed op haar huidige verblijfsrechtelijke positie. Jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak ondersteunt dat doorprocederen op een andere grond om een gunstiger positie te verkrijgen niet is toegestaan.
Verder overweegt de rechtbank dat eiseres de valsheid van de huwelijksakte kan betwisten in een reguliere procedure voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van gezinshereniging. De rechtbank verklaart het beroep daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Ten slotte wordt overwogen dat de termijn voor het instellen van verzet aansluit bij de beroepstermijn van de Vreemdelingenwet 2000, aangezien een langere verzetstermijn niet strookt met de bedoeling van de wetgever om asielprocedures te versnellen.