ECLI:NL:RBDHA:2019:4172

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 april 2019
Publicatiedatum
29 april 2019
Zaaknummer
NL19.6179
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekken beroep wegens niet tijdig beslissen op verblijfsvergunning

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Nadat verweerder alsnog een besluit nam op 23 maart 2019, trok eiser het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.

Verweerder bood aan de proceskosten tot €128 te vergoeden en stelde een wegingsfactor "zeer licht" voor, omdat het beroep alleen zag op het niet tijdig nemen van een besluit en geen inhoudelijke beoordeling vereiste. Hij baseerde dit op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 28 februari 2019.

De rechtbank volgde dit standpunt niet en stelde vast dat vaste en recente jurisprudentie van de Afdeling doorgaans een wegingsfactor "licht" hanteert bij dergelijke beroepen. De afwijking in de aangehaalde uitspraak was niet gemotiveerd en veranderde de vaste lijn niet.

Daarom hanteerde de rechtbank de wegingsfactor "licht" en stelde de proceskosten vast op €256, gebaseerd op 1 punt van €512 met een factor 0,5. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van dit bedrag aan eiser.

De uitspraak is gedaan door rechter Derksen en griffier Evers op 17 april 2019, zonder zitting, en kan binnen zes weken worden bestreden door verzet.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van €256 aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL19.6179

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
Bij besluit van 23 maart 2019 heeft verweerder op de aanvraag van eiser beslist.
Naar aanleiding hiervan heeft eiser het beroep ingetrokken met daarbij het verzoek verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
Verweerder heeft gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
3. Gelet op de gedingstukken en het hiervoor weergegeven procesverloop is verweerder tegemoet gekomen aan het beroep van eiser. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom in het vergoeden van de door eiser gemaakte proceskosten.
4. Verweerder is bereid de proceskosten te vergoeden tot een bedrag van €128,-. Hij vindt een wegingsfactor “zeer licht” van toepassing omdat het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit en geen materiële beoordeling van het geschil nodig is. Hij vindt steun voor dit standpunt in een uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 28 februari 2019. [1]
5. De rechtbank volgt verweerder hier niet in. Uit vaste en recente rechtspraak van de Afdeling blijkt dat zij in beroepen die alleen zien op het niet tijdig nemen van een besluit gewoonlijk een wegingsfactor “licht” hanteert. [2] In de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2019 is de keuze om in die zaak, in afwijking van de eigen lijn, een wegingsfactor “zeer licht” te hanteren niet nader gemotiveerd. De Afdeling heeft met deze uitspraak dan ook niet bedoeld haar vaste lijn, zoals deze volgt uit eerder genoemde jurisprudentie, aan te passen. De rechtbank hanteert daarom voor het vaststellen van de proceskosten in overeenstemming met de vaste lijn van de Afdeling en die van deze zittingsplaats [3] de wegingsfactor “licht”.
6. De rechtbank stelt de door eiser gemaakte proceskosten op grond van het bepaalde in het Bpb vast op € 256,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 512,- per punt en een wegingsfactor van 0,5).

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 256.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. R.P.H. Evers, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op: 17 april 2019.
griffier
rechter
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan verzet worden ingesteld bij deze rechtbank binnen zes weken na de dag van bekendmaking. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.

Voetnoten

2.Zie bijvoorbeeld ABRS 19 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4176), 30 januari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:245) en 28 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2018:718).
3.Zie bijvoorbeeld rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, 2 april 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:3262).