ECLI:NL:RBDHA:2019:4172
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Proceskostenveroordeling na intrekken beroep wegens niet tijdig beslissen op verblijfsvergunning
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Nadat verweerder alsnog een besluit nam op 23 maart 2019, trok eiser het beroep in en verzocht om proceskostenvergoeding.
Verweerder bood aan de proceskosten tot €128 te vergoeden en stelde een wegingsfactor "zeer licht" voor, omdat het beroep alleen zag op het niet tijdig nemen van een besluit en geen inhoudelijke beoordeling vereiste. Hij baseerde dit op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 28 februari 2019.
De rechtbank volgde dit standpunt niet en stelde vast dat vaste en recente jurisprudentie van de Afdeling doorgaans een wegingsfactor "licht" hanteert bij dergelijke beroepen. De afwijking in de aangehaalde uitspraak was niet gemotiveerd en veranderde de vaste lijn niet.
Daarom hanteerde de rechtbank de wegingsfactor "licht" en stelde de proceskosten vast op €256, gebaseerd op 1 punt van €512 met een factor 0,5. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van dit bedrag aan eiser.
De uitspraak is gedaan door rechter Derksen en griffier Evers op 17 april 2019, zonder zitting, en kan binnen zes weken worden bestreden door verzet.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van €256 aan proceskosten wegens niet tijdig beslissen.