Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 januari 2019 in de zaak tussen
[naam 2] , eiseres,
Procesverloop
Overwegingen
De rechtbank oordeelt als volgt.
Rechtbank Den Haag
Eisers, ouders met de Syrische nationaliteit, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf aan als familieleden van hun meerderjarige zoon die een verblijfsvergunning asiel heeft. De aanvraag werd afgewezen omdat volgens de staatssecretaris geen sprake was van familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro, omdat er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestond.
De rechtbank bevestigde dat eisers zelfstandig in Egypte verblijven en zich met hulp van anderen kunnen redden, zonder exclusieve financiële of medische afhankelijkheid van hun zoon. Eisers konden niet aantonen dat zij vanwege hun gezondheid of financiën zodanig afhankelijk zijn dat er sprake is van ‘additional elements of dependency’ zoals vereist door het EHRM.
Eisers voerden aan dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden, verwijzend naar eerdere positieve beslissingen, maar de rechtbank oordeelde dat deze zaken niet vergelijkbaar waren en dat de staatssecretaris voldoende had gemotiveerd waarom de besluiten verschillen.
De rechtbank concludeerde dat er geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro en dat de staatssecretaris terecht geen belangenafweging hoefde te maken. Ook was er geen aanleiding om artikel 4:84 Awb Pro toe te passen. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eisers en hun zoon.