ECLI:NL:RVS:2019:3228
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard in zaak machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
De vreemdelingen hebben bij besluit van 11 december 2017 een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf, welke door de staatssecretaris is afgewezen. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt, dat op 11 september 2018 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de rechtbank Den Haag het beroep van de vreemdelingen ongegrond bij uitspraak van 14 januari 2019.
De vreemdelingen stelden daarop hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de behandeling van het hoger beroep bleek dat de vreemdelingen niet hadden toegelicht waarom de uitspraak van de rechtbank onjuist zou zijn, waardoor de Afdeling geen inhoudelijk oordeel kon geven.
Op grond van artikel 85 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk. De staatssecretaris werd niet verplicht proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer, onder voorzitterschap van mr. N. Verheij, op 24 september 2019.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdelingen wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan inhoudelijke gronden.