Eiseres, een vennootschap, had in haar aangifte vennootschapsbelasting 2011 haar vorderingen op twee groepsmaatschappijen afgewaardeerd tot nihil. Verweerder (Belastingdienst) liet deze afwaardering niet in aftrek toe. De rechtbank beoordeelde dat een van de groepsmaatschappijen winst maakte en voldoende solvabel was, zodat afwaardering niet gerechtvaardigd was. Voor de andere vorderingen stelde de rechtbank vast dat een deel niet aannemelijk was en dat sprake was van onzakelijke leningen.
De rechtbank oordeelde dat het beroep van eiseres gegrond was voor zover de winst moest worden verminderd met rente die ten onrechte was meegenomen. Daarnaast werd vastgesteld dat de bezwaarprocedure onredelijk lang had geduurd, waardoor eiseres recht had op een immateriële schadevergoeding van € 500, waarvan zij € 250 toegekend kreeg vanwege samenhang met een andere zaak.
De rechtbank veroordeelde verweerder tevens in de proceskosten en bepaalde dat de aanslag vennootschapsbelasting werd verminderd tot een belastbaar bedrag van € 160.032. De uitspraak verving de vernietigde uitspraak op bezwaar en bood partijen de mogelijkheid tot hoger beroep binnen zes weken.