ECLI:NL:RBDHA:2018:3813
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- B.F.Th. de Roos
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen opvolgende asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser, van Senegalese nationaliteit, diende op 7 februari 2017 een asielaanvraag in Nederland in, die niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening. Eiser reisde vervolgens naar Duitsland en vroeg daar opnieuw asiel aan, wat werd afgewezen. Op 28 oktober 2017 diende eiser een opvolgende asielaanvraag in Nederland in, die wederom niet in behandeling werd genomen. Verweerder baseerde dit op artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en verwees naar het eerdere besluit van 28 maart 2017.
Eiser betoogde dat een besluit om een asielaanvraag niet in behandeling te nemen op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 geen inhoudelijke beoordeling inhoudt, en dat artikel 4:6 Awb Pro daarom niet van toepassing is. De rechtbank oordeelde echter dat ook de beoordeling welke lidstaat verantwoordelijk is voor de asielaanvraag een inhoudelijke beoordeling is, zodat artikel 4:6 Awb Pro wel toepasselijk is. De rechtbank volgde de Middelburgse jurisprudentielijn en wees het beroep af.
De rechtbank wees ook op de divergentie in rechtspraak maar hield vast aan haar lijn, en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter de Roos op 5 maart 2018 en is openbaar. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de opvolgende asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.