ECLI:NL:RVS:2018:4104
Raad van State
- Hoger beroep
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet in behandeling nemen asielaanvraag ondanks procedurefout
De staatssecretaris heeft op 8 februari 2018 besloten een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die dit ongegrond verklaarde. In hoger beroep klaagde de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte de staatssecretaris volgde en dat het besluit onterecht was genomen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de rechtbank een procedurefout had gemaakt door artikel 4:6, tweede lid, van de Awb onjuist toe te passen, waardoor het besluit een gebrek vertoonde. Echter, de Afdeling oordeelde dat de vreemdeling hierdoor niet benadeeld was, mede omdat hij niet had gesteld dat hij voor de uitspraak was overgedragen en de staatssecretaris ook inhoudelijk had beoordeeld of de aanvraag niet in behandeling kon worden genomen op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
Daarom werd het gebrek gepasseerd en werd het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbetering van de gronden. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen ondanks een procedurefout, en veroordeelt de staatssecretaris tot proceskostenvergoeding.