Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2018 in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
interim measurekan vragen, aldus eiser.
interim measureis gevraagd, waardoor eventueel rechtmatig verblijf zou kunnen ontstaan voor eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet.
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
interim measurekan vragen, aldus eiser. In dat opzicht staat nog niet in rechte vast dat sprake is van een afwijzende asielbeschikking. Over de grond onder 3i brengt eiser naar voren dat hij weliswaar te kennen heeft gegeven dat hij het juridisch niet eens is met de beslissing van verweerder dat eiser terug moet keren, maar dat dit iets anders is dan het feitelijk niet meewerken aan terugkeer. Eiser heeft altijd zijn medewerking verleend. Het vertrekgesprek van 26 oktober 2016 – waarin eiser te kennen heeft gegeven er alles aan te zullen doen om in Nederland te blijven – is onvoldoende recent om aan hem tegen te werpen. Bovendien is met de vrouw van eiser op 5 februari 2018, daags na de inbewaringstelling van eiser, nog gesproken over gezamenlijke terugkeer. Over de grond onder 4a brengt eiser naar voren dat verweerder niet gespecificeerd heeft aan welke verplichtingen eiser niet voldaan zou hebben. Ten aanzien van de grond onder 4b stelt eiser zich op het standpunt dat dit op zichzelf geen echte grond vormt, gelet op het feit dat eiser en zijn gezin altijd zijn toegestaan op de GL met speciale beperkingen om te kijken hoe de procedures verder verlopen. Over de gronden onder 4c en 4d brengt eiser eveneens naar voren dat dit geen daadwerkelijke gronden zijn en dat eiser op het asielzoekerscentrum (azc) verbleef; deze gronden gelden voor alle asielzoekers, zodat deze gronden ten onrechte aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd.
interim measure. Met betrekking tot het betoog, over de eenheid van het gezin en het meedenken van verweerder over opties, verwijst de rechtbank naar wat onder rechtsoverweging 22 in dit kader is overwogen. Verder acht de rechtbank in dit verband van belang dat, zoals verweerder in de motivering bij de maatregel heeft omschreven, eiser en zijn gezin al sinds 7 juni 2017 in de GL verblijven. Eiser en zijn gezin hebben gedurende hun verblijf op de GL geen gebruik gemaakt van de aan hen geboden gelegenheid en mogelijkheden om Nederland op vrijwillige basis te verlaten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2018.