Eiser werd door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) per 14 september 2017 niet langer verzekerd voor de Wet langdurige zorg (Wlz) omdat hij naar Israël zou zijn vertrokken en daarmee zijn ingezetenschap in Nederland zou hebben beëindigd. Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit en stelde dat zijn intentie om te emigreren niet doorslaggevend is, mede omdat hij nog een woning in Nederland bezit, belasting betaalt en zijn emigratie afhankelijk is van het succesvol afronden van inburgeringscursussen.
De rechtbank stelde vast dat het bestreden besluit ten onrechte ook het einde van de verzekering voor de Algemene Ouderdomswet (AOW) betrof, aangezien hierover geen besluit was genomen. Dit deel van het besluit werd vernietigd. Vervolgens oordeelde de rechtbank dat voor de Wlz-verzekering het van belang is of eiser nog als ingezetene kan worden beschouwd. Volgens de Hoge Raad moet worden gekeken naar de duurzame band van persoonlijke aard met Nederland, die niet per se het middelpunt van het maatschappelijk leven hoeft te zijn.
De rechtbank concludeerde dat ondanks de emigratie-intentie van eiser, er geen definitief vertrek heeft plaatsgevonden omdat het slagen van zijn emigratie onzeker is. Eiser heeft zijn woning met inboedel behouden, verblijft er regelmatig kort en betaalt belasting in Nederland. Hierdoor is een duurzame band met Nederland blijven bestaan. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het primaire besluit herroepen. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.