ECLI:NL:RBDHA:2017:444
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Beoordeling forfaitaire rendementsheffing box 3 voor het jaar 2015
Eiser betwistte de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2015, stellende dat het forfaitaire rendement van vier procent voor het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen te hoog was vastgesteld, omdat zijn spaarsaldo niet het veronderstelde rendement behaalde. Hij meende dat het werkelijk behaalde rendement belast zou moeten worden en stelde dat het forfaitaire stelsel in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
De rechtbank overwoog dat het forfaitaire rendement op grond van de Wet IB 2001 wettelijk is vastgesteld en dat de Hoge Raad in eerdere arresten heeft bevestigd dat dit stelsel niet in strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het forfaitaire rendement voor hem tot een individuele, buitensporig zware last leidt.
Verder werd benadrukt dat de wetgever een ruime beoordelingsmarge heeft bij de vormgeving van het forfaitaire stelsel en dat de recente herziening van de box 3-heffing per 2017 het forfaitaire rendement afhankelijk maakt van de aard en omvang van de vermogensbestanddelen. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat de aanslag terecht is gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting over 2015 is gehandhaafd.