ECLI:NL:RBDHA:2017:15836
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging opvang COA wegens medische omstandigheden
Verzoekster, van Ivoriaanse nationaliteit, had recht op opvang van 14 november 2016 tot 14 november 2017 vanwege medische omstandigheden. Na beëindiging van haar rechtmatig verblijf op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 heeft het COA de opvang met ingang van 12 december 2017 beëindigd. Verzoekster stelde dat het beëindigen van de opvang, waaronder medisch noodzakelijke zorg, haar gezondheid ernstig zou schaden en vroeg om een voorlopige voorziening.
De rechtbank stelde vast dat verzoekster een spoedeisend belang had vanwege haar medische behandeling bij GGZ Rivierduinen en het LUMC, waaronder behandeling voor psychische stoornissen en HIV. Echter, de medische informatie was onvoldoende om een acute medische noodsituatie aan te tonen die onmiddellijke voortzetting van de opvang rechtvaardigt.
Verder oordeelde de rechtbank dat ook vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf recht hebben op medisch noodzakelijke zorg, zodat het ontbreken van opvang niet automatisch betekent dat verzoekster geen toegang tot zorg heeft. De verwachting was dat het beroep tegen het besluit tot beëindiging van de opvang ongegrond zal worden verklaard.
Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen beëindiging van de opvang is afgewezen.