ECLI:NL:RBDHA:2017:11833
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.A. Dirks
- T. van Rij
- M.C.J.A. Huijgens
- Rechtspraak.nl
Rechtbank oordeelt over toerekening en waardering van inkomstenbelastinglatentie bij schenking aandelen met bedrijfsopvolgingsfaciliteit
De vader van eiser schonk in 2012 aandelen aan eiser, waarbij een deel van de verkrijging was vrijgesteld op grond van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF). De waarde van de aandelen bedroeg ruim €120 miljoen, met een contante waarde van de inkomstenbelastinglatentie (IB-latentie) van ruim €7,5 miljoen.
Eiser betwistte de wijze van waardering en toerekening van de IB-latentie door de Belastingdienst, die de latentie evenredig toerekende aan het vrijgestelde en belaste deel van de verkrijging en uitging van de contante waarde. Eiser stelde primair dat de nominale waarde van de latentie volledig in mindering moest worden gebracht op de waarde van de aandelen, waardoor de belaste verkrijging nihil zou zijn.
De rechtbank verwierp het standpunt van eiser en volgde de Belastingdienst. De rechtbank wees op de duidelijke wettelijke tekst van artikel 20, zesde lid, onder d, van de Successiewet 1956, die uitgaat van de contante waarde van de latentie en de evenredige toerekening. Ook het beroep van eiser op eerdere arresten werd niet gevolgd, omdat die niet van toepassing zijn op de onderhavige situatie.
De rechtbank zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen aan de Hoge Raad en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Partijen kunnen binnen zes weken hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard; de contante waarde van de inkomstenbelastinglatentie moet evenredig worden toegerekend aan het vrijgestelde en belaste deel van de verkrijging.