Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2017:674

Hoge Raad

Datum uitspraak
14 april 2017
Publicatiedatum
13 april 2017
Zaaknummer
16/02345
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 lid 5 SWArt. 35b lid 4 SWhoofdstuk IIIA Successiewet 1956
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Evenredige toerekening latente inkomstenbelastingschuld bij schenking met vrijgesteld en niet-vrijgesteld gedeelte

Belanghebbende ontving in 2012 aandelen via schenking van haar vader, waarbij voorafgaand de bedrijfsopvolgingsregeling van de Successiewet 1956 werd bevestigd door de Inspecteur.

Bij de aanslag schenkbelasting hield de Inspecteur rekening met een aftrek van een latente inkomstenbelastingschuld, die naar evenredigheid werd toegerekend aan het voorwaardelijk vrijgestelde en niet-vrijgestelde gedeelte van de schenking. Belanghebbende betoogde dat deze schuld als een last of tegenprestatie volledig ten laste van het niet-vrijgestelde gedeelte moest komen.

De Rechtbank oordeelde dat de latente inkomstenbelastingschuld naar evenredigheid moet worden toegerekend, gebaseerd op wetsgeschiedenis en eerdere jurisprudentie. Het beroep van belanghebbende op een ander arrest van de Hoge Raad werd verworpen omdat dat arrest niet op deze toerekening zag.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde daarmee de juiste toepassing van de wet en jurisprudentie door de Rechtbank. Er werden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de latente inkomstenbelastingschuld wordt naar evenredigheid toegerekend aan het vrijgestelde en niet-vrijgestelde gedeelte van de schenking.

Uitspraak

14 april 2017
nr. 16/02345
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z], Duitsland (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de
Rechtbank Zeeland-West-Brabantvan 2 februari 2017, nr. BRE 15/5498, betreffende een aanslag in de schenkbelasting. De uitspraak van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de klachten

2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende heeft in 2012 krachtens schenking van haar vader aandelen ontvangen.
2.1.2.
Voorafgaand aan de schenking heeft de Inspecteur bevestigd dat de bedrijfsopvolgingsregeling als bedoeld in hoofdstuk IIIA van de Successiewet 1956 (tekst 2012; hierna: SW) daarop van toepassing is.
2.1.3.
Bij de aanslag schenkbelasting is op grond van artikel 20, lid 5, SW rekening gehouden met een aftrek van latent verschuldigde inkomstenbelasting. Deze latente inkomstenbelastingschuld is naar evenredigheid toegerekend aan het voorwaardelijk vrijgestelde en het niet‑vrijgestelde gedeelte van de schenking.
2.2.
Voor de Rechtbank was in geschil de wijze van toerekening van de latente inkomstenbelastingschuld. Belanghebbende betoogde dat deze schuld moet worden aangemerkt als tegenprestatie of last in de zin van artikel 35b, lid 4, SW en volledig ten laste van het niet vrijgestelde gedeelte van de schenking moet worden gebracht.
2.3.
De Rechtbank heeft geoordeeld dat uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2008/09, 31 930, nr. 9, blz. 23) en uit het arrest van de Hoge Raad van 26 juni 1996, nr. 30445, ECLI:NL:HR:1996:AA1883, BNB 1996/307 volgt dat de latente inkomstenbelastingschuld naar evenredigheid moet worden toegerekend aan het voorwaardelijk vrijgestelde en het niet‑vrijgestelde gedeelte van de schenking. Het beroep van belanghebbende op het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2013, nr. 12/01745, ECLI:NL:HR:2013:26, BNB 2013/227 faalt volgens de Rechtbank, omdat dit arrest ziet op het vaststellen van de omvang van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten en niet op de toerekening van een latente inkomstenbelastingschuld.
2.4.
De klachten komen op tegen het in onderdeel 2.3 weergegeven oordeel van de Rechtbank. De klachten falen omdat de Rechtbank op goede gronden een juiste beslissing heeft gegeven.

3.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren M.A. Fierstra en Th. Groeneveld, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2017.