ECLI:NL:RBDHA:2017:11832
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- M.A. Dirks
- T. van Rij
- M.C.J.A. Huijgens
- Rechtspraak.nl
Inkomstenbelastinglatentie bij schenking aandelen en bedrijfsopvolgingsfaciliteit
In deze zaak staat de waardering en toerekening van de inkomstenbelastinglatentie (IB-latentie) centraal bij de schenking van aandelen door de oom van eiser aan eiser in 2012. De aandelen betroffen een aanzienlijk belang in een besloten vennootschap, waarbij een deel van de verkrijging vrijgesteld was op grond van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit (BOF) uit de Successiewet 1956.
Eiser betoogde primair dat de nominale waarde van de IB-latentie (25%) volledig in mindering moest worden gebracht op de waarde van de aandelen, waardoor de belaste verkrijging nihil zou zijn. Subsidiair stelde hij dat de contante waarde van de IB-latentie volledig in aanmerking moest worden genomen. Verweerder stelde dat de contante waarde van de IB-latentie moest worden toegepast en deze evenredig moest worden toegerekend aan het vrijgestelde en het belaste deel van de verkrijging.
De rechtbank verwierp het standpunt van eiser en volgde verweerder. Zij oordeelde dat de wettelijke tekst van artikel 20, zesde lid, onder d, van de Successiewet duidelijk voorschrijft dat de IB-latentie wordt gesteld op 6,25% van de waarde van de aandelen boven de verkrijgingsprijs. Tevens is er reden om uit te gaan van de contante waarde omdat de belasting pas op een later moment verschuldigd is. De IB-latentie moet naar evenredigheid worden toegerekend om cumulatie van belastingheffing te voorkomen.
De rechtbank zag geen aanleiding om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag.
Uitkomst: Het beroep tegen de aanslag schenkbelasting wordt ongegrond verklaard; de IB-latentie moet naar contante waarde en evenredig aan vrijgesteld en belast deel worden toegerekend.