ECLI:NL:RBDHA:2017:10173
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing voortgezet verblijf familielid EU-burger bij beëindiging relatie
Eiser, houder van een verblijfsdocument als familielid van een EU-burger, werd geconfronteerd met beëindiging van zijn verblijfsrecht nadat de relatie met de EU-burger (referente) was geëindigd door emigratie.
De kern van het geschil was of eiser voldeed aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf op grond van artikel 8.15, vierde lid, onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000, met name of het partnerschap ten minste drie jaar had geduurd. Verweerder stelde dat alleen een relatie met minimaal zes maanden gezamenlijke huishouding als duurzaam geldt en dat de relatie minder dan drie jaar duurde.
De rechtbank verwierp dit standpunt en oordeelde dat ook andere vormen van duurzame relatie, zoals een latrelatie, kunnen voldoen mits goed onderbouwd. De rechtbank vond dat het beleid van verweerder onjuist was en dat de eerste zes maanden van de relatie niet van de totale duur mogen worden afgetrokken. Het bestreden besluit werd vernietigd wegens motiveringsgebrek en verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken.
De rechtbank wees het verzoek om een voorlopige voorziening af omdat op het beroep zelf reeds was beslist. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten van eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, met opdracht tot hernieuwde besluitvorming.