Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] ,
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,
Procesverloop
Overwegingen
“4.2 Niet in geschil is dat achteraf is gebleken dat vanaf de aanvang sprake was van een deugdelijk bewezen duurzame relatie. Eiser heeft immers een verblijfsrecht ontleend aan zijn relatie met [naam partner] . Verweerder heeft voor bepaling van de aanvang (en, bijgevolg, de duur) van de relatie echter niet (enkel) de datum van de BRP-inschrijving tot uitgangspunt genomen, maar heeft hierbij zes maanden opgeteld, onder verwijzing naar, onder meer, zijn beleid en voornoemde uitspraak van de Afdeling van 6 september 2011. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet opgaat. Immers, het aangehaalde beleid en deze Afdelingsjurisprudentie zien op bewijs van de duurzaamheid van de relatie in de aanvraagfase en zolang de relatie voortduurt. In dit geval betreft het daarentegen de situatie waarin de relatie is geëindigd, maar (achteraf bezien) vanaf de aanvang deugdelijk bewezen duurzaam is geacht. De rechtbank volgt verweerder, zonder nadere toelichting, niet in zijn standpunt dat in een dergelijk geval de eerste zes maanden van de relatie op de totale duur van de relatie in mindering moeten worden gebracht. De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft. Het beroep is reeds hierom gegrond.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak en de tussenuitspraak is overwogen;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.240,-.