ECLI:NL:RBDHA:2016:8329
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opheffing ongewenstverklaring wegens onvoldoende motivering en onderbouwing
Eiser is in 1996 tot ongewenst vreemdeling verklaard en meerdere malen uitgezet naar zijn land van herkomst. In 2015 verzocht hij om opheffing van deze ongewenstverklaring, maar dit verzoek werd afgewezen omdat eiser niet de vereiste stukken had overgelegd en niet aannemelijk had gemaakt wanneer hij het EU-grondgebied had verlaten.
De rechtbank oordeelt dat de ongewenstverklaring, opgelegd vóór de implementatiedatum van de Terugkeerrichtlijn, in principe niet langer dan vijf jaar mag duren tenzij sprake is van een ernstige bedreiging voor de openbare orde. De termijn van het inreisverbod begint pas te lopen vanaf het moment van daadwerkelijke vertrek uit de EU, maar eiser kon dit niet onderbouwen.
Daarnaast stelde de rechtbank vast dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom eiser een actuele en ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast, zoals vereist op grond van het arrest Z. Zh. en I.O. Hierdoor is het bestreden besluit in strijd met de Awb en wordt het vernietigd.
Verweerder moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank veroordeelt verweerder tevens tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring wordt vernietigd.