Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 9 mei 2016 in de zaak tussen
[eiser] , geboren op [1981] , burger van Bosnië-Herzegovina, eiser
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
- een veroordeling tot een gevangenisstraf van 2 weken op 19 februari 2001 wegens verduistering, gepleegd op 1 december 2000;
- een veroordeling tot een gevangenisstraf van 2 weken op 14 januari 2003 wegens diefstal, gepleegd op 19 februari 2002;
- een veroordeling tot 100 dagen gevangenisstraf, waarvan 59 dagen voorwaardelijk, op 30 januari 2004 wegens inbraak en poging tot inbraak, gepleegd in de periode 22 februari 2003 tot en met 1 maart 2003 en op 3 mei 2003;
- een veroordeling tot een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk, op 19 oktober 2004 voor een poging tot doodslag, gepleegd op 4 juli 2004.
een kans ophet toebrengen van een dodelijke verwonding, waarvan in de strafzaak van eiser sprake was, leidt tot de conclusie dat sprake is van een (ernstige) inbreuk op de lichamelijke integriteit. Deze inbreuk heeft zich immers niet verwezenlijkt. Voor zover er sprake was van contact, namelijk het steken in de arm, blijkt niet dat sprake was van letsel in welke vorm dan ook. Als al sprake is van een inbreuk is niet gemotiveerd dat sprake is van een ernstige inbreuk. Vaste rechtspraak wijst uit dat wanneer het misdrijf beperkt lichamelijk letsel tot gevolg heeft gehad, geen sprake is van een zo ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit dat het opleggen van een taakstraf is uitgesloten. Eiser verwijst hiervoor naar de conclusie van procureur-generaal Vellinga van 3 juni 2014 (ECLI:NL:PHR:2014:1434).