Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 november 2015 in de zaak tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser
Procesverloop
Overwegingen
de belastingplichtige ter zake van die aandelen of winstbewijzen in Nederland niet belastingplichtig was” dient te worden uitgelegd. Daarbij is de vraag of voor de beoordeling of eiser “in Nederland niet belastingplichtig was” slechts moet worden getoetst aan het bestaan van binnenlandse belastingplicht, zoals eiser kennelijk bepleit, dan wel ook moet worden getoetst aan het bestaan van buitenlandse belastingplicht, zoals verweerder voorstaat. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn standpunt onder meer gewezen op enkele passages uit de wetsgeschiedenis.
“Artikel 4.7.2.7 Verkrijgingsprijs bij het ontstaan van de binnenlandse belastingplicht
Ook in de situatie waarin de belastingplichtige in de periode dat hij niet in Nederland woonde aandelen verkreeg in een naar Nederlands recht opgerichte vennootschap die niet valt onder de vestigingsplaatsfictie van artikel 7.5, zesde lid, van de wet, zal de verkrijgingsprijs bij immigratie worden vastgesteld op de waarde in het economische verkeer. [onderlijning rechtbank]Een vermeerdering van de verkrijgingsprijs op grond van het derde lid blijft achterwege voorzover met de waardeaangroei reeds rekening is gehouden ingevolge het tweede lid, in verband met het feit dat in het andere land in verband met het verlaten van dat land belasting is betaald over die waardeaangroei. Het derde lid komt in de plaats van het huidige hardheidsclausulebeleid zoals dat is neergelegd in het Besluit van 16 juni 1999, DB99/1272M, V-N 1999/30.10. onderdeel C3. In het derde lid is een iets andere lijn gekozen dan in genoemd besluit vanwege het uitgangspunt dat alleen waardeontwikkelingen die zijn ontstaan in een periode waarin belanghebbende binnenlands dan wel buitenlands belastingplichtig was ten aanzien van de aandelen of winstbewijzen uiteindelijk in de aanmerkelijkbelangheffing moeten worden betrokken.”
in Nederland niet belastingplichtig was”ook moet worden getoetst of sprake was van buitenlandse belastingplicht. De rechtbank is voorts van oordeel dat de onderstreepte zin in de onder 16 opgenomen passage uit de wetsgeschiedenis, moet worden gelezen binnen de context van die geciteerde passage. Uit dit citaat kan, anders dan eiser betoogt, niet worden afgeleid dat slechts aan het bestaan van binnenlandse belastingplicht dient te worden getoetst. Genoemde passage heeft betrekking op de situatie dat een vennootschap niet in Nederland is gevestigd of haar zetel binnen vijf jaar na oprichting naar het buitenland heeft verplaatst. Daarvan is in het geval van eiser geen sprake.