Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 22 januari 2014 in de zaak tussen
de minister van Defensie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Trb.1951,32 (hierna: VBL) luidt als volgt:
Rechtbank Den Haag
Twee militairen maakten bezwaar tegen hun salarisstrook van januari 2013 vanwege de gevolgen van de Wet Uniformering Loonbegrip (WUL), die per 1 januari 2013 in werking trad. Zij voerden aan dat de WUL voor hen een negatief koopkrachteffect had en dat dit in strijd was met internationale verdragen en het gelijkheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat de bezwaren ontvankelijk waren omdat zij zich richtten tegen de salarisstrook en niet tegen de wet zelf. De rechtbank stelde vast dat verweerder ten onrechte nagelaten had eisers te horen en dat de bestreden besluiten een motiveringsgebrek vertoonden, waardoor deze vernietigd moesten worden.
De militairen voerden aan dat de WUL in strijd was met het verbod op discriminatie en het eigendomsrecht zoals beschermd in het EVRM, en met het Verdrag betreffende de bescherming van het loon. De rechtbank verwierp deze bezwaren omdat de WUL een gerechtvaardigd doel nastreefde, de koopkrachteffecten voor militairen waren beperkt tot -1,5%, en de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij dergelijke regelingen.
Hoewel de besluiten werden vernietigd, liet de rechtbank de rechtsgevolgen van de besluiten in stand en veroordeelde verweerder tot vergoeding van griffierechten en beperkte proceskosten aan eisers. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag op 22 januari 2014.
Uitkomst: Het beroep van de militairen wordt gegrond verklaard, de bestreden besluiten worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.