ECLI:NL:RBDHA:2014:1019

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2014
Publicatiedatum
29 januari 2014
Zaaknummer
C-09-445041 - HA ZA 13-691
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 IwArt. 33 lid 2 FwArt. 57 lid 3 FwArt. 453a Rv
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rangorde bodemvoorrecht en pandrecht bij faillissement na bodemverhuurconstructie

Redmail B.V. verpandde haar inventaris bezitloos aan de Rabobank. De Belastingdienst legde bodembeslag op dezelfde zaken wegens belastingschuld. De bank sloot een bodemverhuurconstructie met Redmail en verkreeg vervolgens vuistpandrecht. Na faillissement van Redmail werd de vraag gesteld wie bij de verdeling van de veilingopbrengst het hoogste recht heeft.

De rechtbank stelde vast dat de bodemverhuurconstructie rechtsgeldig was en dat de bank daardoor voorafgaand aan het faillissement vuistpandhouder werd. Het bodembeslag van de fiscus verviel door het faillissement, maar het fiscale bodemvoorrecht bleef behouden voor het bedrag waarvoor het beslag was gelegd.

De rechtbank oordeelde dat de fiscus voor het bedrag van € 71.515,- dat voorafgaand aan de omzetting in vuistpand en het faillissement was beslagen, een hogere rang heeft dan de bank. Voor het restant van de belastingschuld geldt dat de bank als vuistpandhouder hoger in rang staat. De curator kreeg een verklaring voor recht toegewezen dat hij aanspraak kan maken op uitbetaling van de veilingopbrengst tot het bedrag van het bodembeslag.

Uitkomst: De fiscus behoudt het bodemvoorrecht voor het bedrag van het bodembeslag en heeft daarmee een hogere rang dan de bank bij de verdeling van de veilingopbrengst.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/445041 / HA ZA 13-691
Vonnis van 29 januari 2014
in de zaak van
MR. [curator]
in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de
besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Redmail B.V.,
wonende te Zoetermeer,
eiser,
advocaat mr. M.W.M. Souren te Zoetermeer,
tegen
de coöperatie
COÖPERATIEVE RABOBANK ZUID-HOLLAND MIDDEN U.A.,
gevestigd te Delft,
gedaagde,
advocaat mr. L.Ph.J. Baron van Utenhove te Den Haag.
Partijen zullen hierna de curator en de Bank genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 7 juni 2013, met tien producties,
  • de conclusie van antwoord, met zeven producties,
  • het tussenvonnis van 25 september 2013, waarbij een comparitie van partijen is bevolen,
  • het proces-verbaal van comparitie van 10 december 2013, met de daarin vermelde stukken.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Bij akte van 18 februari 2010 (geregistreerd 10 maart 2010) heeft Redmail B.V. (hierna: Redmail) tot zekerheid voor de nakoming van haar verplichtingen uit de aan haar verstrekte kredieten onder meer haar (toekomstige) inventaris bezitloos verpand aan de Bank.
2.2.
Op 12 april 2011 heeft de Ontvanger van de Belastingdienst / Haaglanden (hierna: de Ontvanger) ter zake van een bij Redmail openstaande belastingschuld van in totaal € 71.515,- (loonbelasting) tweemaal executoriaal beslag roerende zaken gelegd op het adres Stephensonstraat 39 te Zoetermeer (bodembeslag). De door het bodembeslag getroffen zaken zijn nagenoeg dezelfde roerende zaken als die welke eerder bezitloos werden verpand aan de Bank.
2.3.
Op 28 juni 2011 heeft de Bank de verstrekte financiering met onmiddellijke ingang opgezegd en Redmail gesommeerd per direct te voldoen een bedrag van € 1.694.076,27.
2.4.
Op 29 juni 2011 heeft Redmail met de Bank een huurovereenkomst gesloten, inhoudend dat Redmail voor de duur van ten minste twee maanden de bedrijfsruimte van Redmail, gelegen aan de Stephensonstraat 39, te Zoetermeer, met uitzondering van de kantoorruimtes, als opslagruimte aan de Bank ter beschikking stelt (bodemverhuur). De Bank verklaart als huurder de sleutels van de toegang van de bedrijfsruimte te hebben ontvangen en daarmee in het genot van het gehuurde te zijn gesteld. Redmail verklaart zich geen toegang tot het gehuurde meer te kunnen verschaffen. De op 1 februari 2010 tussen verhuurder Alecta Pensioens Försälkring en huurder Redmail gesloten hoofdhuurovereenkomst blijft in stand.
2.5.
Bij overeenkomst van vuistpandrecht van 29 juni 2011 heeft Redmail voorts verklaard de verpande roerende zaken aan de Bank ter beschikking te stellen c.q. in haar macht te brengen, waardoor de Bank het recht van vuistpand heeft verkregen.
2.6.
Op 30 juni 2011 is aan Redmail voorlopig surseance van betaling verleend. Bij vonnis van 1 juli 2011 is Redmail door de rechtbank Den Haag in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. Grijpink tot curator.
2.7.
Ten tijde van het uitspreken van het faillissement van Redmail bedroeg de totale (materiële) omzet- en loonbelastingschuld € 200.711,-.
2.8.
De verpande zaken, inclusief de bodemzaken, zijn op 8 september 2011 geveild op verzoek van de Bank als pandhouder. De netto-opbrengst daarvan beliep in totaal € 948.910,77. Deze opbrengst is aan de Bank afgedragen.
2.9.
De huurovereenkomst van 29 juni 2011 is beëindigd op 23 september 2011.

3.Het geschil

3.1.
De curator vordert – samengevat – een verklaring voor recht dat hij op grond van het uit de Invorderingswet (Iw) voortvloeiende voorrecht jegens de Bank aanspraak kan maken op uitbetaling van de veilingopbrengst van de bodemzaken tot een bedrag van
primair€ 200.711,00, zijnde de totale belastingschuld van Redmail op 1 juli 2011, of
subsidiair€ 71.515,00, zijnde het bedrag waarvoor op 12 april 2011 bodembeslag is gelegd. Dit alles vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
De curator voert daartoe aan dat de Ontvanger op grond van het aan deze wettelijk toegekende voorrecht in rang staat boven de pandhouder en, vanwege het bodembeslag en het medegebruik van de bedrijfsruimte door Redmail en de curator, als eerste moet worden voldaan uit de executieopbrengst van de geveilde bodemzaken. Daarbij stelt de curator dat er geen of onvoldoende ander (vrij) boedelactief is waaruit de vorderingen van de Ontvanger kunnen worden voldaan.
3.3.
De Bank voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Aan de orde is de vraag wie van beide betrokkenen, de Ontvanger of de Bank, ter zake van welke vordering hoogste in rang is bij de verdeling van de executieopbrengst. De Ontvanger, ten deze vertegenwoordigd door de curator op de voet van het bepaalde in art. 57 lid 3 Faillissementswet Pro (Fw), beroept zich op het fiscale bodemvoorrecht ex art. 21 Iw Pro. De Bank bestrijdt dit voorrecht met het oog op de door haar toegepaste bodemverhuurconstructie en het nadien gevolgde faillissement. De Bank betoogt dat door het faillissement alle beslagen, waaronder het door de Ontvanger op 12 april 2011 gelegde bodembeslag, zijn komen te vervallen. Doordat de Bank – met toepassing van de bodemverhuurconstructie – voorafgaand aan het faillissement vuistpandhouder is geworden, heeft volgens haar in het faillissement te gelden dat zij als pandhouder hoogste in rang is en niet de Ontvanger. De curator heeft het betoog van de Bank bestreden.
4.2.
Voor de vaststelling van de rangorde tussen de onderhavige schuldeisers is in de eerste plaats van belang om vast te stellen of de Bank als gevolg van de door haar toegepaste bodemverhuurconstructie vuistpandhouder is geworden ter zake van de zich op de bodem van Redmail bevindende en door het beslag van de Ontvanger getroffen zaken. De curator heeft dit bestreden, omdat volgens hem op het moment dat het faillissement werd uitgesproken feitelijk sprake was van medegebruik door Redmail en de curator, en derhalve geen bodemverhuur kan worden aangenomen. Dit betoog van de curator faalt. Zoals de Bank op de comparitie onbestreden heeft gesteld en wordt ondersteund door de huurovereenkomst van 29 juni 2011 heeft zij op genoemde datum – derhalve één dag voordat voorlopige surseance van betaling werd verleend en twee dagen vóór het faillissement, de sleutels ontvangen van het gehuurde en het exclusieve gebruik van het gehuurde verkregen. De curator heeft geen beschikking gehad over de sleutels. Het enkele feit dat de curator van de Bank toestemming heeft gekregen om – onder begeleiding van de bank – de inventaris te bekijken, kan evenmin als medegebruik worden gekwalificeerd (zie: gerechtshof Den Haag 22 oktober 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:4493). Gesteld noch gebleken is voorts dat na de bodemverhuur de onderneming door Redmail of de curator is voortgezet. Dat de curator zich toegang heeft verschaft tot het kantoor en daar de administratie heeft ingezien, leidt evenmin tot een ander oordeel, nu dit niet kan worden beschouwd als het voortzetten van de onderneming, terwijl bovendien deze ruimte niet in de bodemverhuurconstructie was betrokken. Op grond van voormelde feiten en omstandigheden kan derhalve niet tot medegebruik worden geconcludeerd. Dat betekent dat door toepassing van de bodemverhuurconstructie de Bank vóór het faillissement haar stil pandrecht heeft omgezet in vuistpand.
4.3.
Op grond van art. 33 lid 2 Fw Pro vervallen als gevolg van de faillietverklaring alle gelegde beslagen, zo ook het onderhavige door de Ontvanger op 12 april 2011 gelegde bodembeslag. Art. 21 lid 2 Iw Pro, slot, formuleert hierop echter een uitzondering door te bepalen dat het fiscale voorrecht zijn rang boven bezitloos pandrecht op bodemzaken behoudt, ongeacht of de Ontvanger al dan niet reeds vóór het faillissement beslag had gelegd op die bodemzaken. Naar het oordeel van de rechtbank vloeit hieruit voort (zie ook art. 453a Rv) dat, anders dan de Bank betoogt, de wetgever aan het vervallen van het onderhavige bodembeslag niet het rechtsgevolg heeft willen verbinden dat de fiscus zijn vóór het faillissement verkregen rang zou verliezen. Dat betekent dat voor zover de Ontvanger voorafgaand aan het faillissement het hem toegekende bodemvoorrecht door middel van hetzij conservatoir, hetzij executoriaal beslag voor een bepaalde vordering heeft geëffectueerd, en hij zich daarmee tot het beloop van die vordering een hogere rang heeft verworven dan de bezitloos pandhouder, hij die rang – ondanks een latere omzetting in vuistpand, gevolgd door een faillissement – behoudt. In de onderhavige zaak, waar de Ontvanger vóór de omzetting in vuistpand en het faillissement voor een bedrag van in totaal € 71.515,- bodembeslag had gelegd op bezitloos verpande zaken, leidt dit ertoe dat die vordering hoger dan de vordering van de pandhouder gerangschikt is en blijft, ook na faillissement. Voor de resterende belastingschuld (de (materiële) belastingschuld van Redmail ten tijde van het uitspreken van het faillissement bedroeg in totaal € 200.711,-) geldt dat nu deze schuld niet vóór de omzetting in vuistpand in het bodembeslag is betrokken, deze door de faillietverklaring weliswaar betrokken is in het algemeen faillissementsbeslag en dat daarop een voorrecht rust (zie HR 26 juni 1998, NJ 1998, 745 en HR 28 november 2003, NJ 2004, 81), maar dat vanwege de eerdere omzetting in vuistpand, de vordering van de vuistpandhouder hoger in rang is dan deze restantvordering van de Ontvanger.
4.4.
De conclusie luidt derhalve dat de Ontvanger in het faillissement van Redmail voor de vordering ten bedrage van € 71.515,- hoger gerangschikt is dan de Bank. De Bank dient derhalve uit de executieopbrengst dit bedrag aan de Ontvanger toe te laten komen. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de door de curator met het oog op art. 57 lid 3 Fw Pro
subsidiairgevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen.
4.5.
De Bank zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de curator worden begroot op:
- dagvaarding €  76,71
- griffierecht 274,00
- salaris advocaat
768,00(2,0 punten × tarief € 384,00)
Totaal €  1.118,71
4.6.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, behalve ten aanzien van de verklaring voor recht, omdat een verklaring voor recht zich niet leent voor uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat de curator jegens de Bank uit hoofde van art. 57 Faillissementswet Pro aanspraak kan maken op uitbetaling van de veilingopbrengst van de bodemzaken ten belope van een bedrag van € 71.515,- wegens belastingschulden van Redmail waarvoor op 12 april 2011 bodembeslag werd gelegd en uit hoofde van de Invorderingswet een voorrecht is toegekend zodat deze vordering bij de verdeling van de opbrengst in rang gaat boven de pandhouder, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 december 2012;
5.2.
veroordeelt de Bank in de proceskosten, aan de zijde van de curator tot op heden begroot op € 1.118,71;
5.3.
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I. Brand en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2014. [1]

Voetnoten

1.type: